Bostypen in Nederland: Een Diversiteit aan Groene Schatkamers

De Houtwijzer · De bossen

De bossenreeks · onze streken

Bossen in Nederland

Bekend om polders en dijken, en toch verrassend divers in bos. Vier hoofdtypen, en een geschiedenis die grotendeels op de heide geschreven is.

  • Boswet 1961: 10 are of 21 bomen
  • Vier hoofdtypen
  • Staatsbosbeheer sinds 1899
Nederland
Samengevat

Nederlandse bossen in het kort

Bossen beslaan een relatief klein deel van het Nederlandse landschap, maar met een rijke geschiedenis en een grote betekenis voor natuurbehoud en recreatie.

Volgens de Boswet van 1961 is een gebied officieel bos als het minstens 10 are (1.000 m²) beslaat, of bij een rijbeplanting uit één of meer rijen van ten minste 21 bomen bestaat. Andere definities hanteren andere maten, wat vergelijken met het buitenland lastig maakt.

Wat Nederlandse bossen bijzonder maakt, is dat de meeste er niet vanzelf staan. Het overgrote deel is in de negentiende en twintigste eeuw aangeplant op voormalige heidevelden — met een doel voor ogen dat vandaag nauwelijks nog bestaat: stuthout voor de mijnbouw en hout voor de wederopbouw.

Van oerbos naar heide en terug

In de vroege geschiedenis was het gebied grotendeels bedekt met oerbos. Middeleeuwse ontginning voor landbouw, brandstof, bouw en scheepsbouw deed het bosareaal drastisch krimpen; tegen de achttiende eeuw was er weinig van over. Pas in de negentiende eeuw begon de herbebossing, waarbij gemeenten en grootgrondbezitters heidevelden en marginale gronden beplantten. Staatsbosbeheer, opgericht in 1899, werd daarin de drijvende kracht.

Definitie
Boswet 1961: 10 are, of 21 bomen op een rij
Vier hoofdtypen
productie, scherm, landgoed en recreatie, spontaan
Aandeel productiebos
57% van het areaal in 1985
Staatsbosbeheer
opgericht in 1899
Oudste aanplant
Wouwse Plantage en Mastbos, 16e eeuw
Kenmerkende aanplant
grove den, fijnspar en lariks

Eerlijk is eerlijk: veel Nederlandse productiebossen zijn eenvormig: dezelfde soort, dezelfde leeftijd, in rechte percelen. Dat is efficiënt voor houtkap en kwetsbaar voor alles wat mis kan gaan — storm, droogte en de letterzetter, de kever die de laatste jaren hele fijnsparpercelen wegvaagt. De omslag naar gemengd bos is daarom in volle gang.

Wie is wie

Vier hoofdtypen bos

Productiebossen

Veruit de grootste groep — 57 procent van het areaal in 1985. Aangelegd voor houtproductie, vaak op voormalige heide, meestal met grove den, fijnspar of lariks. Herkenbaar aan rechthoekige percelen met rechte lanen voor efficiënte kap. De oudste, zoals de Wouwse Plantage en het Mastbos, stammen al uit de zestiende eeuw.

Schermbossen

Aangeplant om iets af te schermen: wind, zicht, geluid of stuifzand. De functie bepaalt de vorm — vaak smalle stroken met dichte beplanting.

Landgoed- en recreatiebossen

Ontstaan rond buitenplaatsen en landgoederen, of aangelegd voor wandelaars en fietsers. Gevarieerder van samenstelling, met meer loofhout en meer open plekken.

Spontane bossen

Bos dat zichzelf vestigde op verlaten grond, zonder aanplant. Ecologisch vaak het interessantst, omdat de soortensamenstelling door de standplaats bepaald is en niet door een plantschema.

Door de tijd

Hoe het zo gekomen is

  1. OerbosHet gebied was oorspronkelijk grotendeels bebost, met loofbos op de hogere zandgronden en moerasbos in de laagtes.
  2. Middeleeuwse ontginningBos werd gekapt voor landbouwgrond en dorpen, en het hout ging naar brandstof, bouw en scheepsbouw. Tegen de achttiende eeuw was het areaal drastisch geslonken en waren grote delen verstoven tot heide en zandverstuiving.
  3. Negentiende eeuw: herbebossingGemeenten en grootgrondbezitters begonnen heidevelden te beplanten. Staatsbosbeheer (1899) kocht grond aan en bebostte op grote schaal — deels om stuifzand vast te leggen, deels voor mijnhout.
  4. Twintigste eeuw: productieGrootschalige aanplant van naaldhout in rechte percelen, gericht op efficiënte houtoogst.
  5. Vanaf circa 1970: verbredingMeer aandacht voor natuurwaarde en recreatie: gevarieerder boombestand, wandelpaden, meer dood hout en meer loofhout in de bijmenging.
Een hardnekkig misverstand

Het legendarische Kolenwoud (Silva Carbonaria) wordt in verhalen over Nederlandse bossen vaak genoemd, maar het lag in wat nu Vlaams- en Waals-Brabant is — dus in België. Het Zoniënwoud is er het laatste restant van.

De stand

Waar het naartoe gaat

Van eenvormig naar gemengd

De omslag van monoculturen naar gemengd bos is in volle gang, gedreven door droogteschade, stormgevoeligheid en de letterzetterplagen in fijnspar.

Meer dood hout

Waar dood hout vroeger werd opgeruimd, blijft het nu bewust liggen. Het is de rijkste habitat van het bos.

Bos als klimaatmaatregel

Nieuwe aanplant wordt mede ingezet voor koolstofopslag, al is een jong bos daarin decennialang minder effectief dan een volgroeid bos dat blijft staan.

Druk op de ruimte

Bosuitbreiding concurreert in Nederland direct met landbouw, woningbouw en energie-infrastructuur. Elke hectare erbij is een politieke keuze.

Snel antwoord

Veelgestelde vragen over Nederlandse bossen

Wat telt in Nederland als bos?

Volgens de Boswet van 1961 een gebied van minstens 10 are (1.000 m²), of een rijbeplanting van ten minste 21 bomen. Andere definities hanteren andere maten.

Welke bostypen kent Nederland?

Vier hoofdtypen: productiebossen (de grootste groep), schermbossen, landgoed- en recreatiebossen, en spontane bossen die zichzelf gevestigd hebben.

Waarom staan er zoveel naaldbomen in Nederlandse bossen?

Omdat de negentiende- en twintigste-eeuwse herbebossing op arme heidegronden gebeurde, waar grove den, fijnspar en lariks het goed doen — en omdat er vraag was naar mijnhout en bouwhout.

Lag het Kolenwoud in Nederland?

Nee. Het Kolenwoud (Silva Carbonaria) lag in wat nu Vlaams- en Waals-Brabant is, dus in België. Het Zoniënwoud is het laatste restant.

Verder in de Houtwijzer

Nederlandse bossen in perspectief

Grotendeels geplant, grotendeels op heide, en nu bezig aan een tweede transitie.

Een vraag over jouw project? Stel ze gerust — we denken graag mee.